Legitieme portie, berekening en de gevolgen van het onterven van een kind

De legitieme portie is een deel van de waarde van het vermogen waarop een legitimaris (kind) aanspraak op kan maken, ook al heeft de overledene (ouder) de legitimaris (kind) onterfd of er door middel van schenkingen voor gezorgd dat zijn nalatenschap leeg is.
Een legitimaris kan ook een kleinkind of een verdere afstammeling van de overledene zijn (bijvoorbeeld door plaatsvervulling als het onterfde kind al is vooroverleden).

Ouders hebben de mogelijkheid om een kind te onterven. Het kind is dan geen erfgenaam meer, maar het kind heeft wel recht op zijn legitieme portie.
Een kind dat niet onterfd is, is een erfgenaam van de ouder. Dit niet onterfde kind (erfgenaam) is gerechtigd om de nalatenschap te verdelen. Hij heeft ook recht om goederen (bijvoorbeeld inboedelgoederen, sieraden, aandelen, huizen etc.) te ontvangen.
Een kind dat wel onterfd is en een beroep op zijn legitieme portie heeft gedaan is geen erfgenaam. Hij heeft dan ook geen recht om te delen in de goederen.
Dit kind (legitimaris) zit niet aan de verdelingstafel en hij ontvangt alleen een bedrag in geld ter waarde van zijn legitieme portie. De legitimaris heeft dus recht op een bepaald bedrag in geld. De erfgenamen moeten deze legitieme portie aan de legitimaris uitkeren.
Bij de berekening van de legitieme portie moet je onderscheid maken tussen:

    1. Het  breukdeel waar de legitimaris recht op heeft (helft van zijn gewone erfdeel als hij niet onterfd zou zijn.
      Stel: een erflater laat vier kinderen en een echtgenote na. Hij heeft één kind onterfd. Het breukdeel waar de legitimaris recht op heeft is: 1/10 deel

 

  1. De legitimaire massa: De legitieme portie wordt berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, vermeerderd met bepaalde giften en verminderd met bepaalde schulden.
    De waardering van de goederen van de nalatenschap moet gebeuren op “het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van de overledene”.Het gevolg is dat de erfgenamen de legitimaris een geldbedrag moeten afgeven ter grootte van zijn legitieme portie per de overlijdensdatum van de erflater.
    Stel dat de huizenprijzen zakken en de erfgenamen hebben moeite om het huis te verkopen, dan heeft de legitimaris daar geen last van. Hij heeft gewoon recht op zijn legitieme vordering die na zes maanden opeisbaar is geworden. Hierdoor zijn er in de periode dat de huizenmarkt in elkaar stortte veel gevallen geweest waarbij legitimarissen er heel goed vanaf zijn gekomen en veel meer ontvingen dan dat hun ouders gedacht hadden dat hun onterfde kind zou krijgen. Dit leidde tot zeer oneerlijke situaties voor de niet-onterfde kinderen, die meestal wél een goede band met hun ouders hadden gehad….
  2. Op de vordering van de legitimaris komen tot slot nog in mindering:
  • De giften die de legitimaris van de erflater heeft ontvangen;
  • De waarde van al hetgeen de legitimaris krachtens erfrecht ontvangt (een aan hem gemaakt legaat komt dus in mindering op de legitieme vordering);
  • De waarde van al hetgeen de legitimaris krachtens erfrecht had kunnen ontvangen, maar niet ontvangen heeft omdat hij de nalatenschap of het legaat heeft verworpen.

De mogelijkheid om aanspraak te maken op de legitieme portie vervalt als de legitimaris niet binnen een hem door een belanghebbende gestelde redelijke termijn en uiterlijk vijf jaar nadat hij zijn vordering had kunnen opeisen, heeft verklaard dat hij zijn legitieme portie wenst te ontvangen.
Aan de hand van het vorenstaande (breukdeel en legitimaire massa) wordt vastgesteld op welke waarde de legitimaris recht heeft.
Dit leidt tot dus een geldvordering van de legitimaris op de erfgenamen.
Het uitgangspunt is dat de legitimaris zijn vordering zes maanden na het overlijden van de erflater kan opeisen.
Als de wettelijke verdeling van kracht is, moet de legitimaris wachten tot de langstlevende overlijdt (of als deze failliet gaat/schuldsanering aanvraagt).

 

Inkorting

Als na de berekening van de legitieme portie blijkt dat de nalatenschap, na de uitvoering van het testament, niet groot genoeg is om de legitimaris uit te keren, moet er worden ingekort.  Het tekort kan door verschillende oorzaken zijn ontstaan. De overledene kan bij testament zoveel hebben vermaakt aan anderen dat de legitimaris het nakijken had, of de overledene kan tijdens zijn leven veel schenkingen hebben gedaan aan anderen, waardoor er bij zijn overlijden bijna geen vermogen meer over was.
Inkorting wil zeggen dat er bij iemand anders iets wordt weggehaald.
Op de eerste plaats geschiedt de inkorting bij de erfstellingen en legaten, naar evenredigheid. Levert dat niet genoeg voor de legitimaris op, dan worden de daarvoor in aanmerking komende giften ingekort. De laatste het eerst en zo vervolgens terug in de tijd.

De legitimaris kan alleen geld vorderen van degene op wie wordt ingekort. Als de overledene bijvoorbeeld een schilderij had geschonken, kan de legitimaris niet het schilderij zelf terugvorderen, alleen geld. De legitieme vordering bestaat immers slechts op een geldvordering op de erfgenamen en geen goederen.

Als de waarde van de legitieme portie niet uit de nalatenschap betaald kan worden (bijvoorbeeld omdat de overledene veel geld tijdens zijn leven had geschonken aan anderen), dan kan de legitimaris het ontbrekende gedeelte vorderen van degenen aan wie de erflater een gift heeft gedaan. Dat noemt met “inkorting”.

De volgorde van de inkorting is als volgt:

Eerst vind de oneigenlijke inkorting plaats. Dit betekent dat de legitimaris zich eerst moet verhalen op het gedeelte van de nalatenschap waar de erflater niet over heeft beschikt.

Blijft er na de oneigenlijke inkorting nog een vordering over, dan wordt ingekort op de “makingen” (dat zijn  de erfstellingen en legaten). Hierbij wordt in beginsel naar evenredigheid ingekort.

Als de legitimaris ook door deze inkorting nog niet geheel voldaan wordt, dan kan hij overgaan tot inkorting van de giften….. De laatste het eerst en zo vervolgens terug in de tijd.