Op deze website is uitleg gegeven aan de wettelijke verdeling. Als voorbeeld werd het echtpaar Guido en Carola genoemd.

Hier volgt de uitwerking voor de erfbelasting berekenen van ons voorbeeld echtpaar:

Guido (61 jaar) is overleden. Hij was in de wettelijke gemeenschap van goederen getrouwd met Carola (60 jaar). Uit het huwelijk zijn drie kinderen geboren, Joris, Jasper en Simone. De huwelijksgoederengemeenschap bedraagt € 400.000. De nalatenschap is hier de helft van, dus: € 200.000.
Op grond van het wettelijk erfrecht zijn Carola en de drie kinderen samen erfgenaam, ieder voor 1/4 deel.
Volgens de wettelijke verdeling heeft Carola aan ieder kind een schuld ter grootte van ieders erfdeel van € 50.000.  Ieder kind heeft dus een geldvordering op Carola van € 50.000 euro.
Over deze schuld aan de kinderen is Carola op grond van het wettelijk erfrecht 0% rente verschuldigd. (In de wet staat dat de langstlevende een rente over de geldvorderingen moet vergoeden die gelijk is aan de wettelijke rente minus 6%. De wettelijke rente is nu 2% minus 6% = 0% rente. Eigenlijk zijn de geldvorderingen van kinderen al sinds de invoering van het nieuwe erfrecht in 2003 renteloos).

Bij de waardering van de geldvorderingen van de kinderen moet rekening worden gehouden met het feit dat de geldvorderingen pas opeisbaar zullen zijn na het overlijden van de langstlevende. In ons voorbeeld was Carola de langstlevende echtgenote. Omdat zij de geldvorderingen van de kinderen niet hoeft uit te betalen tijdens haar leven, heeft Carola hierdoor het fictief vruchtgebruik van de geldvorderingen van de kinderen. De belastingdienst gaat bij de berekening van de waarde van de geldvorderingen uit van een waardedaling van de geldvorderingen, omdat Carola de zeggenschap en het gebruik over de geldvorderingen houdt.
De waarde die de belastingdienst aan de geldvorderingen toekent wordt de “contante waarde” genoemd.
De contante waarde van de geldvorderingen van de kinderen wordt bepaald aan de hand van de waarde van het fictieve vruchtgebruik van Carola. Hoe ouder Carola is, hoe minder het fictieve vruchtgebruik waard is, en hoe meer erfbelasting de kinderen verschuldigd zijn.

Carola en de kinderen mogen binnen 8 maanden na het overlijden van Guido (aangifte termijn) een andere rente overeen komen. Als zij dit niet doen (bijvoorbeeld omdat zij niet van deze regel op de hoogte waren), wordt de contante waarde van de vorderingen van de kinderen berekend volgens de tabel die staat in artikel 5 Uitvoeringsregeling Successiewet.
Hier staat dat gezien de leeftijd van Carola (60 jaar) het fictief vruchtgebruik 60% bedraagt (= factor 10)
De contante waarde van de geldvorderingen van de kinderen bedragen 40% van de werkelijke waarde.
Ieder kind moet dus over € 20.000 afrekenen.
In dit voorbeeld valt de contante waarde van de geldvordering van de kinderen onder de vrijstelling voor kinderen. De kinderen ontvangen geen aanslag erfbelasting.
Het fictief vruchtgebruik wordt bij de verkrijging van Carola geteld.
Zij verkrijgt volgens de fiscus haar erfdeel van € 50.000 + 3 x fictief vruchtgebruik van totaal  € 90.000 = € 140.000.
Dit bedrag valt onder de partnervrijstelling.

Stel dat Carola in dit voorbeeld geen 60 jaar maar 78 jaar geweest zou zijn, zou het fictief vruchtgebruik 30% bedragen (factor 5).
De contante waarde van de geldvorderingen van de kinderen zou dan 70% van de werkelijke bedragen. Ieder kind zou dan over € 35.000 moeten afrekenen.
Over de verkrijging van ieder kind is €. 1.485 erfbelasting verschuldigd. Omdat de kinderen geen geld ontvangen, is Carola verplicht om de erfbelasting voor de kinderen voor te schieten.
Het fictief vruchtgebruik wordt bij de verkrijging van Carola geteld.
Zij verkrijgt volgens de fiscus haar erfdeel van € 50.000 + 3 x fictief vruchtgebruik van totaal € 45.000 = 95.000.
Dit bedrag valt onder de partnervrijstelling. Ook Carola ontvangt geen aanslag erfbelasting.

Wél een rente afspraak gemaakt/rente in testament beschreven

Wordt er binnen 8 maanden na het overlijden van Guido wél een rente afgesproken door Carola en de kinderen, dan wordt de contante waarde vastgesteld conform een arrest van de Hoge Raad van 11 juli 1989, waarin een bepaalde formule is opgenomen om de contante waarde van de schuldig gebleven erfdelen kinderen te berekenen. Dat zou ook gelden als Guido in zijn testament een rentepercentage zou hebben vastgelegd.

De rente wordt jaarlijks bij de hoofdsom geteld. De rente wordt dus niet daadwerkelijk aan de kinderen uitbetaald. Door de bijschrijving van de rente groeit de geldvordering. Ieder jaar dat de langstlevende (Carola) langer leeft dan de eerst stervende (Guido), zal haar schuld aan de kinderen groter worden. Als de langstlevende dan uiteindelijk ook komt te overlijden, is haar nalatenschap behoorlijk uitgehold door de werking van de rente. De rente-overeenkomst zal toekomstige erfbelasting besparen mits de langstlevende lang genoeg overleeft.

Dus: Door het overeenkomen van een rente op de geldvorderingen wordt het eigen vermogen van de langstlevende beetje bij beetje uitgehold. Als de langstlevende wordt opgenomen in een verzorgingstehuis of als hij/zij komt te overlijden kan er meer belastingvrij naar de kinderen worden overgeheveld dan zonder een renteverplichting.
Maar bij het eerste overlijden is een rente-overeenkomst juist duurder voor wat betreft de erfbelasting. Dat komt omdat de contante waarde waarover de belastingdienst de erfbelasting berekent hoger is dan als er geen rente zou zijn overeengekomen. Wel of geen renteovereenkomst kan dus een moeilijke keuze zijn. Erfenis Advies helpt door middel van berekeningen om een weloverwogen keuze te maken.

 

Conclusie: Hoe lager de rente en hoe ouder de langstlevende partner, hoe hoger de contante waarde is!