De langstlevende echtgenoot of partner heeft een grote vrijstelling voor de erfbelasting. Deze “partnervrijstelling” bedraagt in het jaar 2016: € 636.180  (klik hier voor tarieven en vrijstelling erfbelasting).

De partnervrijstelling wordt echter verminderd als de langstlevende recht heeft op een nabestaandenpensioen (weduwenpensioen) of een lijfrente. Van het vrijgestelde bedrag blijft altijd wel een minimum vrijstelling over (in 2016 is de minimale vrijstelling: €164.348).

De pensioenaanspraak (of lijfrente) zelf,  is niet belast met erfbelasting, maar de andere kant van de medaille is dat deze aanspraken een korting veroorzaken op de partnervrijstelling. Deze inkorting op de vrijstelling wordt pensioenimputatie genoemd. De pensioenimputatie bedraagt de helft van de waarde van het pensioen of lijfrente-aanspraak. Verder mag er rekening worden gehouden met inkomstenbelasting die de langstlevende in de toekomst over zijn/haar pensioenaanspraak moet betalen. Deze “latente belastingclaim” wordt voor de erfbelasting gesteld op 30%.

Voorbeeld:

Eleonora (59) is weduwe geworden van Erwin. Zij krijgt een weduwenpensioen van €40.000 per jaar. Om de partnervrijstelling te berekenen die Eleonora overhoudt, moet de waarde van het pensioen worden gekapitaliseerd:
1/2 x € 40.000 x 11 (factor die bij leeftijd van Eleonora past) = € 220.000

De latente claim van de inkomstenbelasting bedraagt 30% x € 220.000 =  € 66.000

Gekapitaliseerde pensioenaanspraak € 220.000 minus latente IB claim € 66.000 = € 154.000.

De partnervrijstelling die Eleonora overhoudt is: € 636.180 minus € 154.000 = € 482.180


In dit voorbeeld is de Bruto methode gevolgd. Volgens deze methode is de aftrek van latente IB altijd mogelijk. In de rechtspraak wordt ook wel de Netto methode gevolgd. Volgens deze methode is aftrek van latente IB alleen mogelijk als er sprake is van een samenloop van erfbelasting en inkomstenbelasting. Dan zou de aftrek van de IB-latentie maximaal 30% bedragen van het verschil tussen de maximale partnervrijstelling (€ 636.180) en de minimale vrijstelling (€ 164.348), ofwel € 141.549 (= 30% van € 471.832). Alleen dan is er samenloop tussen IB en erfbelasting.

In de praktijk zal de bruto en de netto methode niet altijd tot een verschillende uitkomst leiden. Omdat de aftrek van IB-latentie maximaal € 141.549 bedraagt, is de netto-methode pas van belang als de helft van de gekapitaliseerde pensioenaanspraak groter is dan € 471.832. Dan zou de toepassing van de bruto-methode tot een voordeliger resultaat leiden.