Erfbelasting wordt geheven over al hetgeen iemand “krachtens erfrecht” verkrijgt van iemand die ten tijde van zijn overlijden in Nederland woonde (artikel 1 lid 1 Successiewet).
In de Successiewet wordt het begrip “krachtens erfrecht” ruim geïnterpreteerd. De wet sluit niet alleen aan bij het begrip vererven zoals dit in het Burgerlijk Wetboek staat, maar kent ook nog een aantal uitbreidingen van het begrip erfenis. Deze uitbreidingen op het burgerrechtelijke begrip erven heeft de wetgever opgenomen om misbruik te voorkomen.
Door het opnemen van zogenaamde “fictiebepalingen” wordt het de burger moeilijk gemaakt om de heffing van erfbelasting te ontlopen.

De belangrijkste fictie bepalingen in de Successiewet zijn:

  • Bovenmatige rente over erfrechtelijke schulden (art. 9 SW)
  • Omzetten van eigendom in vruchtgebruik (art. 10 SW)
  • Verkrijging op grond van een overeenkomst bij overlijden (art. 11 SW)
  • Schenkingen binnen 180 dagen vóór overlijden van de erflater (art. 12 SW)
  • Levensverzekeringen en derdenbedingen (art. 13 SW)

Bovenmatige rente over erfrechtelijke schulden

Een nalatenschap kan door een erfrechtelijke schuld niet verder verkleind (uitgehold) worden dan met 6% samengestelde rente per jaar.
Als er een hogere rente is afgesproken, dan wordt het bovenmatige deel van de rente als een fictieve verkrijging beschouwd. Als de langstlevende de bovenmatige rente tijdens het leven al aan de kinderen betaalt, dan is er sprake van een schenking (waarover schenkbelasting verschuldigd kan zijn).

Voorbeeld:
Mascha is weduwe en zij overlijdt 8 jaar na haar echtgenoot (John). De kinderen hadden ieder een vordering vaderlijk erfdeel op Mascha van 90.000 euro (per kind).  Op grond van een renteafspraak of op grond van het testament van John was er 10% enkelvoudige rente verschuldigd. Dat is in 8 jaar tijd een rente van 72.000 euro. De kinderen willen bij de aangifte erfbelasting van Mascha het vaderlijk erfdeel + de rente = totaal 162.0000 in aftrek brengen. Op grond van art. 9 SW mag de nalatenschap van Mascha maar worden verkleind met 6% samengestelde rente over 8 jaar. Dat zou  53.500 euro zijn. De bovenmatige rente van  18.500 euro (72.000 euro –  53.500 euro) wordt daarom fictief aangemerkt als erfrechtelijke verkrijging bij de kinderen.


 

Omzetten van eigendom in vruchtgebruik

Omzetten van eigendom in vruchtgebruik

Het komt voor dat ouders tijdens hun leven de ouderlijke woning aan hun kinderen overdragen. De ouders krijgen het gratis woongenot (vruchtgebruik of recht van gebruik en bewoning) en de kinderen krijgen de bloot eigendom van de woning.
Het woongenot (vruchtgebruik) vervalt bij het overlijden van de langstlevende van de ouders. De bloot-eigendom van de kinderen wordt door het wegvallen van het vruchtgebruik vol-eigendom.
Volgens het burgerlijk recht  is de waardesprong van bloot eigendom naar vol-eigendom geen erfrechtelijke verkrijging.  Maar de wetgever heeft deze waardesprong voor de erfbelasting wel als een erfrechtelijke verkrijging aangemerkt.  De waarde aangroei tot vol-eigendom wordt op grond van art. 10 SW alsnog belast.

Bij het overlijden van de laatst levende ouder wordt de woning bij de kinderen als een fictief legaat belast met erfbelasting. De kinderen mogen wel  wat door hun is “opgeofferd”- inclusief 6% rentederving in mindering brengen.

Voorbeeld:

Alex (59) jaar verkoopt in 2016 zijn woning aan zijn kinderen onder voorbehoud van het gratis woongenot (vruchtgebruik).  De woning is 250.000 euro waard.
De waarde van het vruchtgebruik is 11 x 6% x 250.000 = 165.000 euro
De waarde van de bloot-eigendom is 250.000 – 165.000 = 85.000 euro
De kinderen blijven de koopsom schuldig aan Alex of lenen bij een bank.

Alex blijft tot zijn overlijden in 2036 in de woning wonen. De woning is bij zijn overlijden 500.000 euro waard. Normaal gesproken zou de woning niet in de nalatenschap vallen, want de aangroei van bloot eigendom naar vol-eigendom is immers volgens het Burgerlijk Wetboek geen erfrechtelijke verkrijging, maar door de werking van artikel 10 SW wordt de woning toch geacht om tot de nalatenschap te behoren. Op grond van art. 21 SW moet worden uitgegaan van de waarde ten tijde van het overlijden.

De kinderen worden belast voor                                             500.000 euro
Af: betaalde bloot-eigendom                                                     85.000 euro
Af: rentederving 20 jaar x 6% x 85.000                                   102.000 euro
Totale verkrijging                                                                        313.000 euro

Stel dat Alex 4 kinderen na laat, dan is de fictieve verkrijging per kind 78.250 euro.

Als Alex in 2016 de koopsom had kwijtgescholden, dan mogen de kinderen geen rentederving in aftrek brengen omdat zij niets hadden opgeofferd. Dan was er sprake van een schenking. De verschuldigde schenkbelasting en/of de verschuldigde overdrachtsbelasting mogen wel van het fictieve legaat worden afgetrokken. Ook dan geldt een vermeerdering van 6% vanaf het moment van betaling tot het moment van overlijden.

De fictiebepaling van artikel 10 SW geldt niet alleen voor het voorbehouden van het recht van vruchtgebruik. Er zijn meer situaties te bedenken waarin artikel 10 SW van toepassing is. Ook zijn er een aantal voorwaarden van toepassing om onder de reikwijdte van art. 10 SW te vallen.
Erfenis Advies helpt u graag verder. .


Verkrijging op grond van een overeenkomst bij overlijden

Samenlevers met een verblijvingsbeding in hun samenlevingscontract opgelet!

Artikel 11 SW bevat een fictiebepaling waardoor goederen die onder een verblijvingsbeding vallen onder een fictieve verkrijging vallen.

Voorbeeld:

Peter en Laura hebben een huis gekocht in de verhouding 50/50. Zij hebben een samenlevingscontract  waarin staat dat bij overlijden van de eerst stervende van hen beiden het resterende aandeel in de woning zal “verblijven” aan de langstlevende van hen beiden.  Die langstlevende hoeft de waarde van het aandeel in de woning niet te vergoeden. Als Peter en Laura als “partners” worden aangemerkt, dan is deze verkrijging op grond van de fictiebepaling van art. 11 SW belast voor de erfbelasting.
Kunnen zij niet als partners worden aangemerkt, dan is de verkrijging niet belast voor de erfbelasing.
Als Peter en Laura wel als partners kunnen worden aangemerkt  (wonen langer dan een half jaar op één adres en hebben een notarieel samenlevingscontract*), dan is bij de vererving tariefgroep I van toepassing. Gelukkig kan de overblijvende partner gebruik maken van de partnervrijstelling. Die is in 2016: 636.180 euro.

* De voorwaarde van een notarieel samenlevingscontract geldt niet als de ongehuwd samenwonenden op het moment van overlijden gedurende vijf kalenderjaren onafgebroken een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd en op hetzelfde woonadres staan ingeschreven.

Andere voorbeelden van art. 11 SW zijn bijvoorbeeld:

  • een overname beding in een vennootschap;
  • bepaalde koopopties
  • verkoop van een goed met uitgestelde levering bij overlijden;
  • schuldigerkenningen en kwijtscheldingen onder opschortende voorwaarde van overleven van de erflater.

Bij de eerste drie voorbeelden geldt art. 11 allen in bepaalde familie verhoudingen. Bij de laatste variant is een familieverhouding niet vereist.


Schenkingen binnen 180 dagen vóór overlijden

Dit is de bekendste fictiebepaling.
In art. 12 SW staat dat al wat binnen 180 dagen (6 maanden) aan het overlijden voorafgegaan is geschonken door een erflater (die ten tijde van het overlijden in Nederland woonde), toch geacht wordt krachtens erfrecht te zijn verkregen.

Het heeft dus geen zin om vlak voor het overlijden nog gauw vermogen weg te schenken in de hoop hiermee erfbelasting te besparen.

Een uitzondering wordt gemaakt voor de eenmalige verhoogde schenkingen die ouders aan hun kinderen mogen doen.

De gewone jaarlijkse schenking valt wél onder de werking van artikel 12 SW.


Levensverzekeringen

Volgens het Burgerlijk recht is het geld dat je na het overlijden van iemand ontvangt van zijn levensverzekering geen erfrechtelijke verkrijging, maar volgens de fictiebepaling van de Successiewet wel. Zonder de fictiebepaling van art. 13 SW zou het anders gemakkelijk zijn om erfbelasting te omzeilen: Je sluit een levensverzekering af en je gebruikt een groot deel van je vermogen om de premies van te betalen. Als je dood gaat, keert de levensverzekering uit aan je partner of aan je kinderen.  Jammer genoeg kunnen je partner en je kinderen de uitkering van de levensverzekering niet belastingvrij ontvangen, tenzij je er voor zorgt dat je de premies niet uit je eigen vermogen hebt betaald.
In de praktijk worden levensverzekeringspolissen vaak zodanig afgesloten dat degene die de premie verschuldigd is, niet de zelfde persoon is als de verzekerde (het “verzekerd lijf”).
Ook worden er vaak twee polissen gesloten. De ene partner betaalt dan de verschuldigde premies van de verzekering van de andere partner en andersom. Als je het zo regelt, is artikel 13 niet van toepassing en wordt de uitkering van de levensverzekering niet in de heffing van de erfbelasting betrokken.

Als je in gemeenschap van goederen getrouwd bent, is het eigenlijk niet te voorkomen dat de premies van een levensverzekering ten laste van het gezamenlijke vermogen komen. Dan zal bij het overlijden van de eerste echtgenoot de uitkering van de levensverzekering worden belast. Maar de belastingdienst mag niet meer heffen dan kan worden toegerekend aan een onttrekking van premies aan het vermogen van de overledene. Dat betekent dat bij gemeenschap van goederen de uitkering van de levensverzekering voor de helft belast is.

Voorbeeld:

Jan is in gemeenschap van goederen getrouwd met Lydia. Jan heeft een levensverzekering op zijn leven afgesloten. De premies worden netjes betaald (uit de gemeenschap van goederen). Jan komt te overlijden en Lydia ontvangt een uitkering uit de levensverzekering van Jan van 200.000 euro.  Deze uitkering is voor de helft (100.000 euro) belast met erfbelasting omdat door de gemeenschap van goederen maar de helft van de premies zijn toe te rekenen aan een onttrekking aan het vermogen van Jan.

Nota Bene: Als je ongehuwd samen woont of als je onder huwelijkse voorwaarden bent getrouwd, kun je wel onder de werking van deze fictiebepaling uitkomen. Dan moet er wel duidelijk in het samenlevingscontract of in de huwelijkse voorwaarden staan dat de premies van de levensverzekering niet ten laste van de huishouding komen, maar dat deze voor rekening van de andere partner/echtgenoot komen. Ook de polis moet goed geredigeerd zijn. Als er een polis wordt afgesloten waarin twee levens zijn verzekerd, dan moeten de premies worden gesplitst.

Partnerverklaring

Aan veel hypothecaire geldleningen is een overlijdensrisicoverzekering gekoppeld. Met de uitkering kan bij overlijden van één van de partners de woningschuld worden afgelost. Meestal is de verzekering verpand aan de bank. De bank heeft zichzelf als eerste begunstigde aangewezen en lost met de uitkering de lening af. Op die manier komt de levensverzekeringsuitkering ten goede aan alle erfgenamen. Dat is meestal niet de bedoeling. Daarom wordt er vaak een zogenaamde partnerverklaring  op genomen (ook wel weduwe verklaring genoemd). Deze verklaring houdt in dat niet de bank de begunstigde van de levensverzekering is, maar de langstlevende echtgenoot/partner. De langstlevende echtgenoot/partner heeft de verplichting ten op zichte van de bank om de hypothecaire schuld af te lossen. Dan krijgt de langstlevende echtgenoot/partner een vordering op de nalatenschap. Hierdoor wordt de nalatenschap kleiner. Dat kan een besparing van erfbelasting opleveren bij het eerste overlijden.

Voorbeeld:

Vincent en Petra zijn in gemeenschap van goederen getrouwd. Zij hebben twee kinderen en een eigen huis (waard 700.000 euro). De woning is gefinancierd met een hypothecaire lening van 400.000 euro. Deze lening is volledig gedekt met een levensverzekering. Petra komt te overlijden. Zij laat als haar erfgenamen na: Vincent en de twee kinderen. Met de bank is een partnerverklaring over een gekomen. Vincent ontvangt de uitkering van 400.000 euro. Hij moet de hypotheek aflossen. Dit gebeurt in naam van Vincent. Omdat namens hem de hypotheekschuld is afgelost, is er een vordering op de huwelijksgoederen gemeenschap. Tot de nalatenschap van Petra hoort de helft van de woning 350.000 euro minus een schuld aan Vincent van 200.000. Per saldo bedraagt de nalatenschap dus  150.000 euro. De erfdelen van Vincent en de kinderen bedragen 1/3 deel van 150.000 euro of 50.000 per persoon. Daarnaast wordt Vincent nog belast op grond van art. 13 SW voor de helft van de uitkering van de levensverzekering (200.000 euro). In totaal wordt er over 300.000 euro erfbelasting geheven, waarvan er 200.000 aan Vincent wordt toegerekend. Dit is niet erg omdat de verkrijging van Vincent toch onder de grote partnervrijstelling valt.

Als er geen partnerverklaring zou zijn afgesloten met de bank, dan zou over hetzelfde bedrag erfbelasting verschuldigd zijn geweest, maar dan zou er bij Vincent en ieder van de twee kinderen 100.000 euro belast zijn. De kinderen zouden dan twee keer zoveel erfbelasting verschuldigd zijn!